Peter d'Hamecourt
Russen zien ze vliegen. een reis van communisme - via perestrojka - naar Poetinisme
Uitgeverij Conserve
Amsterdam 2007
428 blz.
ISBN 978 90 5429 244 9
€19,95

De columns van onze correspondent

Margreet Strijbosch

In het laatste jaar van zijn correspondentschap in Moskou heeft Peter d'Hamecourt de columns die hij sinds 1989 schreef voor internet, radio en krant gebundeld in Russen zien ze vliegen, een reis van communisme - via perestrojka - naar Poetinisme. Op 1 juni volgend jaar gaat d'Hamecourt, vooral bekend als correspondent van het NOS-Journaal en het Algemeen Dagblad, met pensioen. Dan heeft hij er bijna twintig jaar in Moskou opzitten, twee decennia, waarin hij meemaakte hoe Rusland met horten en stoten transformeerde van communistisch wereldrijk-op-zijn-laatste-benen tot de moderne, maar in veel opzichten nog onderontwikkelde pseudo-democratische oliestaat anno 2007.

D'Hamecourt geeft met zijn enorme verzameling columns - het boek is maar liefst 428 pagina's dik - inzicht in het Russische leven in die periode, zowel op het niveau van Ivan Modaal, in zijn boek in de persoon van huishoudster Jelena, als op dat van Russische bureaucraten en politici. Hij schrijft op laconieke en begripvolle toon, met een nimmer aflatende verbazing over zaken die variëren van vermeende giftige watermeloenen, die d'Hamecourt tot schrik van zijn vrienden vrolijk blijft consumeren, tot het probleem van de enorme stapels roebels die een mens bij zich moest hebben in de periodes van hyperinflatie. De Russen zagen in de jaren negentig tweemaal hun spaargelden verdampen.

Hij heeft het over de oud-communist Aleksandr Jakovlev die zijn laatste levensjaren wijdde aan de rehabilitatie van de Stalinslachtoffers, over de ziek-zwak-en-misselijke en vaak dronken Jeltsin in zijn tweede presidentstermijn, maar ook over de ongenaakbare Vlad Vlad (afkorting voor Poetin), die volgens d'Hamecourt nimmer van enige menselijkheid blijk geeft.

De titel van het boek slaat op een periode in het begin van d'Hamecourts correspon-dentschap, toen de Russen ze letterlijk zagen vliegen: vliegende schotels uit de ruimte van een onbekende beschaving die de Russen kwamen redden. In Rusland-geruchtenland staan die schotels symbool voor de talloze fabeltjes en verzinsels waar het land nog steeds patent op heeft.

Niet alleen omdat de elektronische media sinds de komst van Poetin weer steeds meer leugens verspreiden, maar ook omdat de Russen, of beter: hun leiders, volgens d'Hamecourt altijd al meer gesteld lijken op uiterlijk vertoon dan op de waarheid. Het bouwen van fašades is al begonnen met de bouw van de Potjomkin-dorpen die de minnaar van Catharina de Grote liet optrekken langs de route van de tsarina en wordt vandaag de dag nog steeds voortgezet, schrijft hij.

Van die leugens en fašades geeft d'Hamecourt in zijn boek talloze voorbeelden. Ook hele nare, zoals de berichtgeving op de Russische televisie over Oleg Zjirov, de Russische Nederlander die zijn vrouw Natasja verloor bij de bestorming van het gegijzelde theater in Moskou in oktober 2002. Zjirov werd uitgemaakt voor 'laffe Nederlandse echtgenoot' in een televisieshow waar geld werd ingezameld voor de slachtoffers van Beslan. Zjirov zou het geijzelde theater voor de bestorming hebben verlaten.

D'Hamecourt, die de wanhopige Zjirov in die dagen onderdak bood in zijn auto nabij het theater, schrijft verontwaardigd dat deze nooit een stap in het Doebrovka-theater gezet heeft, domweg omdat hij niet naar de voorstelling was gegaan. In de bewuste televisieshow moest echter tegen Nederland worden aangeschopt omdat minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot het gewaagd had te vragen waarom er zoveel slachtoffers bij de bestorming van de school waren gevallen.

Er zijn veel ellendige verhalen te vertellen over de Russische realiteit. D'Hamecourt doet dat ook, maar in zijn columns lijkt die ellende wat minder zwaar dan in de televisieverslagen. De columns lenen zich beter voor laconieke en humoristische observaties, waarin aan de hand van de vaak absurde stellingen worden bewezen als 'liefde in Rusland zit in een flesje bier' of een antwoord wordt gegeven op de vraag of Russen lui zijn. Maar de Russische realiteit wordt daar natuurlijk niet vrolijker van.

De toon van d'Hamecourt is vanaf de periode Poetin sowieso wat minder luchtig. De hoofdstukken die de periode 2000-2007 beslaan, bevatten meer commentaren en minder columnachtige bijdragen. Waar er onder Jeltsin nog veel reden tot grappen maken was, lijkt die er veel minder onder Poetin, de onvoorstelbaar populaire president die de Russen weer het gevoel geeft dat ze burgers zijn van een supermacht.

D'Hamecourt wordt in dit Poetin-deel wat serieuzer, meer betrokken, en dat komt het boek ten goede. Bij elk drama dat zich voordoet wordt hij weer getroffen door de immer onaangedane houding van Poetin in combinatie met de steeds terugkerende constatering dat een mensenleven in Rusland niet telt. Bovendien liggen de tweede oorlog in Tsjetsjenië, het zinken van de Koersk en de gijzelingsaffaires, om maar een paar drama's van de afgelopen acht jaar te noemen, nog vers in het geheugen.

D'Hamecourt is zich ervan bewust dat hij veel ellende over zijn lezers, luisteraars en kijkers uitstort. Hij schrijft in zijn boek dat hij regelmatig het verwijt krijgt dat hij altijd negatief bericht over Rusland. Aan het eind van een somber stemmend stukje over de Russische rekruut Andrej, die als gevolg van zijn ontgroening in het leger beide benen plus geslachtsdelen verloor, pareert hij dit verwijt. Hij vertelt over een Russische radiocommentator die het voorval nog veel heftiger dan hijzelf heeft bekritiseerd en concludeert vervolgens: 'Deze commentator is net als ik: hij houdt van Rusland en van alle Andrejs, maar de Russische staat drijft zijn burgers helaas te vaak tot wanhoop.'