Regisseur met een zigeunerhart

Thijs Peters

Emir Kusturica is bassist, acteur, maar vooral een regisseur met een goedgevulde prijzenkast. De ServiŽr Kusturica (1954) maakt niet veel films. Hij regisseerde in meer dan twintig jaar slechts zes speelfilms.

In 1995 leek Kusturica er zelfs de brui aan te geven. Een jaar eerder was Underground. Once upon a Time There Was a Country uitgekomen, een zwarte komedie over vijftig jaar geschiedenis in JoegoslaviŽ. In Cannes won hij voor de tweede keer een Gouden Palm, maar in de media kreeg de film het predikaat pro-Servisch te zijn.

Dat stempel was dodelijk in die jaren, toen de ServiŽrs in het Westen definitief als oorlogshitsers te boek stonden. De kritiek werd hem teveel. Hij kondigde aan nooit meer een film te maken. Dat dreigement voerde hij niet uit, al duurde het vier jaar voor hij weer een film opnam.

Kusturica, die in 1954 in Sarajevo werd geboren, heeft zoals zoveel Joegoslavische regisseurs zijn opleiding in Praag gehad. De Tsjechische hoofdstad was in het Oostblok de kraamkamer van veel filmtalent.

In de jaren zeventig begon hij als regisseur bij de Joegoslavische televisie. Zijn eerste speelfilm, Do you remember Dolly Bell?, werd meteen een succes op het filmfestival in VenetiŽ. Hij kreeg de Gouden Leeuw.

Het was geen eendagsvlieg, want vrijwel alles wat hij in zijn verdere carriŤre regisseerde viel in de prijzen. In VenetiŽ, in Cannes, in Berlijn; als er een film van Kusturica werd getoond, was het raak. Alleen in Amerika bleef zijn palmares tot nu toe steken op een nominatie voor een Academy Award voor de beste buitenlandse film.

Nu is Kusturica wat prijzen betreft niet uniek onder de Joegoslavische filmmakers. No man's land, een komedie over de oorlog van de debuterende regisseur Danis Tanovic, kreeg in 2002 de Oscar voor de beste buitenlandse film.

Als er een kunstvorm is waar Joegoslaven in uitblinken is het film. Waar Russische filmmakers bekend staan om hun knappe montagetechnieken en kunstzinnige films, zijn de Joegoslaven de meesters van de komedie. Nu eens heeft de humor een behoorlijk TROS-gehalte, zoals in Kusturica's laatste film Black Cat, White Cat, dan weer is die veel subtieler, zoals in Tito i Ja (Tito en ik) van Goran Markovic, maar altijd met de nodige dosis zelfspot en absurdisme. Zelfs de op het eerste gezicht slapstickachtige films hebben bij Joegoslaven een dubbele bodem.

Kusturica is goed in het genre dat West-Europeanen kennelijk zo aanspreekt. Black cat, White Cat gaat over een groep criminele zigeuners. De film zit vol grollen. Een varken knaagt aan een Trabant - een sneer naar de kwaliteit van communistische producten - en de doden worden op zolder in ijs verpakt in afwachting van de begrafenis. Hij drijft de spot met hebzuchtige Russische handelaren en de westerse imitatiekitsch waar criminelen in zijn land zich mee omringen.

Dat in Kusturica's films vaak zigeuners de hoofdrol spelen, is geen toeval. Zijn zigeuners zijn stereotypen die zich uitstekend lenen voor een magisch-realistisch verhaal.

In een interview met De Filmkrant in 1999 vertelt hij dat hij als kind vaak met hen optrok. Ter voorbereiding van zijn Time of the gypsies (1989) leefde hij drie maanden in een zigeunerkamp. Alle vooroordelen, zo zei hij toen, zijn waar. Zigeuners stelen, gokken en als het echt wat oplevert verkopen ze desnoods hun kind. Hij laat dat ook zien in zijn films.

Wie denkt dat Kusturica niet veel met zigeuners op heeft, heeft het mis. Hij ergert zich mateloos aan de politiek correcte manier waarop westerse intellectuelen naar zigeuners kijken. 'Meestal gaan filmmakers ervan uit dat ze de zigeuner moeten helpen. Ik vind dat je hun gedrag, zelfs de dingen waardoor ze gehaat worden, zoals het stelen, moet laten zien zoals het is. Maar je moet het wel verbinden met hun eigen realiteit', zei hij in De Filmkrant.

Zijn liefde voor zigeuners is niet verbazingwekkend. Kusturica is net zo trots en de laatste jaren moet hij vaak het gevoel hebben gehad als een zigeuner te worden behandeld. Hij woont in Parijs, de hoofdstad van het land waar hij in 1995 zo genadeloos door de media werd neergesabeld, maar aan de andere kant ook zo vaak werd gelauwerd. Net zoals de zigeuners in JoegoslaviŽ slecht worden behandeld, maar hun orkestjes op bruiloften altijd welkom zijn.

Kusturica heeft een haat-liefde verhouding met JoegoslaviŽ. In Sarajevo komt hij niet meer, nadat de huizen van zijn familie in brand werden gestoken en zijn appartement werd ingepikt vanwege zijn vermeende Servisch-nationalistische sympathieŽn Hij wijt die haat vooral aan het feit dat hij in tegenstelling tot zoveel collega's niet vluchtte of naar Sarajevo vertrok, maar in Belgrado films bleef maken.

Zijn grootste fout is dat hij zich in Underground niet heel expliciet tegen Milosevic keerde. Want een Servisch nationalist is hij niet. In Belgrado daagde hij ooit de ultranationalist Vojislav Seselj uit voor een duel. Hij wilde het land van hem bevrijden. Seselj nam de uitnodiging niet aan, want die wilde ServiŽ niet van een groot kunstenaar beroven.



Filmografie van Ivan Kusturica

Do you Remember Dolly Bell? / Sjecas li se, Dolly Bell Sjecas li se, Dolly Bell (1981)
When Father Was Away on Business /Otac na sluzbenom putu (1985)
Time of the Gipsies / Dom za vesanje (1989)
Arizona Dream (1993)
Underground / Podzemlje (1995)
Black Cat, White Cat / Crna macka, beli macor (1998)
Hungry Hart / Gladno srce (2003)*

*Komt dit najaar uit

Omhoog
Terug naar archief