De Brabanders van TsjechiŽ

Hans Renner

Eigenlijk is MoraviŽ, in het Tsjechisch Morava, geen regio en ook geen gewest, maar een land. Zo leert een vluchtige blik in de Moravische geschiedenis. Maar anders dan bijvoorbeeld de Friezen vormen de MoraviŽrs geen aparte natie. Zij beschikken ook niet over een eigen taal. Er bestaat geen Moravisch. De MoraviŽrs bedienen zich van de Tsjechische taal, net zoals de Toscanen zich van het Italiaans bedienen of de BourgondiŽrs van het Frans. Je kunt ze het best typeren als de Brabanders van TsjechiŽ.

MoraviŽ, thans het oostelijke deel van de Tsjechische Republiek, is genoemd naar de rivier de Morava (niet te verwarren met de Servische rivier Morava). De Moravische Morava stroomt dwars door het land van noord naar zuid en komt uit in de Donau,vlak over de grens bij de Slowaakse hoofdstad Bratislava.

In de negende eeuw bestond het zogeheten Groot-Moravische Rijk met christelijke Slavische prinsen aan het hoofd en met MoraviŽ, Bohemen (de verlatiniseerde naam van TsjechiŽ), Slowakije en SileziŽ binnen zijn territorium. Een lang leven was dit Groot-MoraviŽ niet beschoren.

De binnengevallen Magyaren maakten hieraan in 907 een abrupt einde. Het grondgebied van het huidige MoraviŽ werd weldra in bezit genomen door de Tsjechische vorsten uit het Premysl-geslacht en toegevoegd aan de Tsjechische staat. MoraviŽ speelde in militair opzicht een belangrijke rol als buffer tegen de Hongaarse dreiging. In de twaalfde eeuw werd MoraviŽ een markgraafschap, hetgeen een zelfstandige rechtspositie inhield.

In de regel waren de Tsjechische koningen tevens de Moravische markgraven, maar niet altijd. Het heeft niet veel gescheeld of het welvarende MoraviŽ was een Hongaarse provincie geworden. De Hongaarse koning Matthias Corvinus (1458-1490) had zich van het land meester gemaakt en wie weet hoe de staatsvorming in Midden-Europa eruit had gezien wanneer deze bekwame politicus en veldheer niet relatief vroeg was overleden.

Sinds 1490 heeft MoraviŽ het wel en wee van Bohemen gedeeld. Zo kwamen de protestantse Moravische edellieden met hun geloofsgenoten in Bohemen in opstand tegen de katholieke Habsburgers en eindigden zij na de verloren slag bij Witte Berg in 1620 gezamenlijk op het schavot of in ballingschap. Het Boheemse koninkrijk viel ten prooi aan de Habsburgers.

MoraviŽ en Bohemen werden hardhandig gerekatholiseerd en bleven een onlosmakelijk deel van het Oostenrijkse - later Oostenrijk-Hongaarse - Rijk tot het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918. Gelijk Bohemen was MoraviŽ in feite tot een Habsburgse provincie verworden, die officieel te boek stond als Markgrafschaft und Kronland des Osterreichischen Kaisersstaates.

Het delen van hetzelfde lot betekende nog niet het delen van dezelfde belangen. Toen bijvoorbeeld de Turken in de zestiende eeuw Hongarije onder de voet liepen en in de zeventiende eeuw het Habsburgse Wenen, en toen ook MoraviŽ bedreigden, heerste onder de MoraviŽrs grote angst. Niet bij de Tsjechen in het verder naar het westen gelegen Bohemen. De laatstgenoemden vonden het bepaald niet erg wanneer de Habsburgers tegen de Turken een bloedneus opliepen.

De grootste kans voor de MoraviŽrs om een zelfstandige natie te vormen bood ongetwijfeld de negentiende eeuw, toen het nationalisme en de romantiek in Midden-Europa hoogtij vierden. In die tijd ontwikkelden de Tsjechen een sterk historisch en taalkundig besef, twee belangrijke ingrediŽnten voor de nationale identiteit. De MoraviŽrs hebben deze kans niet benut. Beter gezegd, niet willen benutten, aangezien zij zich liever met het Tsjechische nationale emancipatiestreven identificeerden.

In de Eerste Tsjechoslowaakse Republiek van de presidenten Tomas Masaryk en Eduard Benes (1918-1938) werd de historische landsgrens tussen TsjechiŽ en MoraviŽ geŽerbiedigd. Toch werden de Tsjechen en MoraviŽrs - anders dan de Slowaken - bij de volkstellingen onder dezelfde nationaliteit, de Tsjechische, opgeteld.

Vanuit etnisch en cultureel oogpunt vormen de MoraviŽrs en Tsjechen ťťn volk. Zij leven echter in twee landen die eeuwenlang tot dezelfde staat behoorden, of het nu het Boheemse Koninkrijk was (Zeme Koruny ceske geheten, de landen van de Tsjechische Kroon), het Habsburgse Rijk, de Tsjechoslowaakse Republiek in het interbellum, het onfortuinlijke Protektorat BŲhmen und Mšhren onder de Duitse bezetting, Tsjechoslowakije onder de communisten of de Tsjechische Republiek hedentendage.

De communisten hebben in hun centralistische regelzucht bij de regionale bestuurlijke herindeling van Tsjechoslowakije geen rekening gehouden met de historische grens tussen beide landen, met als gevolg dat deze grens in vergetelheid raakte. Anders lag het met de grens tussen MoraviŽ en Slowakije, tevens de historische grens tussen het Boheemse en het Hongaarse Koninkrijk, waarvan Slowakije eeuwenlang deel uitmaakte. Deze grens werd wel gerespecteerd om de uitzonderlijke positie van Slowakije in de Tsjechoslowaakse staat te onderstrepen.

Na de Fluwelen Revolutie in 1989 zien wij een kortstondige opleving van het Moravische politieke streven met nationalistische trekken, met als doel MoraviŽ een eigen plaats in de Tsjechoslowaakse federatie te geven. Zonder effect. Niet alleen het amateurisme van de plaatselijke Moravische politici van het derde garnituur was hieraan debet.

Ook de Slowaken verzetten zich fel tegen een 'drie-landen-federatie', aangezien zij in politiek opzicht niet met de MoraviŽrs over ťťn kam geschoren wilden worden. Uiteindelijk maakte Slowakije zich in 1993 van TsjechiŽ los, terwijl MoraviŽ bleef.

Er werd toen nog gesproken van een 'twee-landen-federatie'. Dit idee werd echter door de overweldigende meerderheid van de Tsjechische en Moravische bevolking van de hand gewezen. Niet alleen vanwege de absurditeit van een dubbel-federatie op het grondgebied van een kleine staat. Een groot probleem schuilde in de naam van deze nieuwe staat. 'Federatie TsjechiŽ en MoraviŽ' riep onmiddellijk associaties op met de nazistische tijd en het Protektorat BŲhmen und Mšhren.

De overeenkomsten tussen de MoraviŽrs en de Tsjechen zijn talrijk, maar er bestaan ook verschillen. Een typisch Moravisch kenmerk is een hogere religiositeit. MoraviŽrs zijn ook meer aan hun geboortestreek gebonden, zeker op het platteland. Zij houden bovendien hun folklore van liederen, klederdracht en volksgebruiken beter in stand dan de nonchalantere Tsjechen.

In het algemeen beschikken de MoraviŽrs over meer temperament en zijn zij vrolijker dan de ietwat somber ingestelde Tsjechen. En, heel belangrijk, zij houden het vaandel van de Moravische culinaire cultuur hoog.

De invloed van de televisie, de toenemende mobiliteit van de bevolking, de voortschrijdende secularisatie en de honderdduizenden gemengde huwelijken maken de verschillen tussen MoraviŽrs en Tsjechen in de Tsjechische Republiek op den duur kleiner. Net als de verschillen tussen Brabanders en Hollanders in Nederland.

Tot de beroemde Tsjechen die uit MoraviŽ afkomstig zijn behoren de pedagoog Jan Amos Komensky (Comenius, 1592-1670), de grondlegger van de moderne Tsjechische geschiedschrijving en politicus Frantisek Palacky (1792-1876), de oprichter van Tsjechoslowakije en zijn eerste president Tomas Garrigue Masaryk (1850-1937), de componist Leos Janacek (1854-1928), de schilder Alfons Mucha (1860-1928), de industrieel Tomas Bata (1876-1932), de dirigent Vaclav Talich (1883-1961), de schrijver Milan Kundera (geb. 1929) en de jonge operazangeres Magdalena Kozena.

Ook de Duitse componist Gustav Mahler (1860-1911), de Amerikaanse econoom Joseph Alois Schumpeter (1883-1950) en niet te vergeten de Oostenrijkse sociaal-democratische politicus en later Oostenrijkse president Karl Renner (1870-1950) werden in Morava/Mšhren geboren, toen nog een 'kroonland' van de Oostenrijk-Hongaarse monarchie.

Hans Renner is hoogleraar Midden-Europese Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen

Omhoog
Terug naar archief