Eenzaam TsjetsjeniŽ

Republiek TsjetsjeniŽ
President en premier: Aslan Maschadov.
Oppervlakte: 16.000 vierkante kilometer (iets meer dan eenderde van Nederland). Inwonertal: ruim ťťn miljoen in 1991.
Hoofdstad: Grozny (405.000 inwoners in 1989, 182.700 inwoners in 1995, thans bijna uitgestorven).
Andere belangrijke steden: Goedermes, Oeroes-Martan, Argoen en Sjali. Grote rivier: Terek.
Belangrijkste economische sectoren: olieraffinage, handel, landbouw (gemengd boerenbedrijf), banditisme.

door Renť Does

Op de Tsjetsjeense vlag staat een wolf afgebeeld. 'Wij zijn vrij en gelijk zoals de wolven', zo luidt een Tsjetsjeens gezegde.

Voor de tweede keer in de afgelopen tien jaar voeren de Tsjetsjenen oorlog met de Russen. De eerste oorlog, tussen december 1994 en augustus 1996, wonnen de Tsjetsjenen. De recent uitgebroken tweede oorlog willen de Russen absoluut winnen, maar of dit binnen redelijke termijn gaat lukken is nog helemaal de vraag. Misschien hebben de Tsjetsjenen hiermee zelfs de sleutel tot het presidentschap van Vladimir Poetin in handen.

Clanstaat
Geografisch valt TsjetsjeniŽ in twee delen uiteen. De noordelijke helft van de republiek bestaat uit volkomen vlak steppelandschap en wat bossen, het zuiden uit hoge, beboste bergen met gletsjers. De Tsjetsjenen leven reeds zesduizend jaar in en rond het territorium van hun huidige republiek. Hun taal behoort tot de zogenoemde 'Nach-tak' van de Kaukasische talengroep.

Tussen de zevende en de zeventiende eeuw veroverde de islam grote delen van de Kaukasus. Vůůr de negentiende eeuw bestond het geloof van de Tsjetsjenen uit een mix van islam en animisme. In de negentiende eeuw kwam vanuit het naburige Dagestan - beheerst door krijgsheren als Sjamil - een strengere van islam naar TsjetsjeniŽ.

Qua maatschappelijke structuur is het huidige TsjetsjeniŽ een egalitaire clanstaat met een zeer sterke militaire traditie. De Russische antropoloog Sergej Aroetjoenov omschrijft de Tsjetsjeense maatschappij als volgt: 'TsjetsjeniŽ was en is een maatschappij met een militaire democratie. TsjetsjeniŽ heeft nooit koningen, emirs, prinsen of baronnen gehad. Anders dan de andere Kaukasische staten heeft het nooit feodalisme gekend. (...) In vredestijd erkennen Tsjetsjenen geen soevereine autoriteit en kunnen zij uiteenvallen in een honderdtal rivaliserende clans. Maar in tijden van gevaar en geconfronteerd met agressie verenigen de rivaliserende clans zich en kiezen zij een militaire leider.'

Kozakken
Het eerste Russische fort in de Kaukasus werd opgericht onder tsaar Ivan de Verschrikkelijke: het fort Tarki, in 1559. Vervolgens vestigden groepen kozakken, afstammelingen van gevluchte lijfeigenen zich aan de oevers van de rivier de Terek. Zij kregen de naam Terek-kozakken.

Tsaar Peter de Grote wist de kozakken om te smeden tot de grenstroepen van het uitdijende Russische rijk. In dezelfde periode zakten steeds meer Tsjetsjenen - op zoek naar land - vanuit de bergen in het zuiden af naar de noordelijke laagvlakte. De Russen en de Tsjetsjenen stonden nu tegenover elkaar.

Sinds die tijd valt de Tsjetsjeense geschiedenis te beschrijven in termen van strijd tegen de Russen. In deze strijd hebben de Tsjetsjenen bij Russen en buitenstaanders altijd een mengeling van bewondering en afkeer opgeroepen. Bewondering vanwege hun uitzonderlijke militaire moed en nationale trots. Afkeer vanwege hun hardheid, wraakzucht, roofactiviteiten en onhandelbaarheid. In vredestijd zijn Tsjetsjenen zeer gastvrije mensen, maar zij laten zich nooit iets gelegen liggen aan niet-Tsjetsjenen.

In de negentiende eeuw maakte Rusland werk van de definitieve inlijving van de Kaukasus in het Russische rijk. Dit werd de taak van generaal Aleksej Jermolov (1777-1861). Op 10 juni 1818 stichtte hij het grote legerfort van Grozny. Grozny betekent 'verschrikkelijk', 'afschrikwekkend'. De keiharde generaal Jermolov dacht het Tsjetsjeense probleem op te lossen door massadeportaties van Tsjetsjenen naar Turkije.

De Russen kregen in de Grote Kaukasische Oorlog (1817-1864) echter te maken met een formidabele tegenstander in de persoon van de eerder genoemde imam Sjamil (1796/97-1871), een Avaar uit Dagestan, die tussen 1834 en 1864 het Kaukasische verzet tegen de incorporatie in het Russische rijk leidde.

Sjamil voerde de sjaria in TsjetsjeniŽ in. Hij klaagde dikwijls over de eigenzinnigheid van de Tsjetsjenen. Alleen met zeer harde hand wist hij ze in het gareel te houden. De Russen wonnen de strijd uiteindelijk in 1864, maar hiervoor moesten ze bijna het halve Russische leger, 200.000 manschappen, in de strijd werpen. Tot de dag van vandaag geldt de ongeschreven regel dat tegenover iedere Tsjetsjeense strijder ongeveer tien Russische soldaten moeten worden ingezet.

De Russen zetten een etnische zuivering van de Noord-Kaukasus in gang. Tussen 1856 en 1864 vertrokken rond de 600.000 moslims uit de Kaukasus naar het Ottomaanse Rijk. Onder hen bevonden zich honderdduizend Tsjetsjenen, die echter al snel heimwee kregen naar hun vaderland. De Tsjetsjenen boden de tsaristische autoriteiten aan het orthodoxe geloof aan te nemen in ruil voor terugkeer. De Russen lieten deze kans echter voorbij gaan en na de Turks-Russische oorlog van 1877-78 trokken de Tsjetsjenen spontaan terug naar hun vaderland.

De Russen hebben de weerstand van de Tsjetsjenen ook gebroken door ingrijpende veranderingen in het landschap. Er was in de negentiende eeuw groot gebrek aan landbouwgrond; grond was een twistpunt tussen Russen en Tsjetsjenen.

Het aanvankelijk zeer bosrijke TsjetsjeniŽ raakte door land- en houtwinning steeds meer bos kwijt, waardoor de Tsjetsjenen steeds minder goed hun aanvankelijk succesvolle guerillatactiek, onder de dekking van dik geboomte, konden uitvoeren. Hun gevechtstactiek bestond uit het permanent uitdelen van speldenprikken aan de Russische troepen. Er wordt dan ook gezegd dat de Tsjetsjenen in de negentiende eeuw niet alleen werden overwonnen door het geweer, maar ook door de bijl.

Niettemin hanteren de Tsjetsjenen in de oorlogen tegen het Rusland van Jeltsin en Poetin nog steeds dezelfde gevechtstactiek. De overgebleven bossen in de bergen, maar ook de moderne stedelijke 'jungle', bieden goede schuilplaatsen van waaruit in kleine formaties, dikwijls bestaande uit niet meer dan enkele familieleden, de Russen constant kleine verliezen worden toegebracht. Vele kleine klappen moeten in de Tsjetsjeense tactiek uiteindelijk de uitwerking van een grote dreun krijgen.

Op het einde van de negentiende eeuw maakte TsjetsjeniŽ een economische bloeiperiode door. Grozny werd de tweede oliestad van de wereld, na Bakoe. Tegenwoordig zijn de olievelden van TsjetsjeniŽ praktisch uitgeput. Tot voor kort gold de reputatie van TsjetsjeniŽ als oliestaat alleen nog de raffinage en de transit van olie, maar deze olie-infrastructuur is in de huidige oorlog door de Russen weggebombardeerd om zodoende de economische basis voor een onafhankelijk TsjetsjeniŽ grotendeels onderuit te halen.

Deportatie
De Noord-Kaukasische bergvolken maakten van de wanorde van revolutie en burgeroorlog gebruik door in 1918 een onafhankelijke Bergrepubliek uit te roepen. Terwijl de communisten uit tactische overwegingen lippendienst bewezen aan dit onafhankelijkheidsstreven, putte het Witte Leger van generaal Anton Denikin zich uit in een harde strijd met de opstandige KaukasiŽrs, waarbij de Tsjetsjenen zich weer bijzonder onderscheidden.

Nadat de communisten definitief hun macht hadden gevestigd, maakte Stalin, de volkscommissaris voor Nationaliteitenbeleid, uiteraard snel een einde aan de onafhankelijkheid van de Bergrepubliek. Later voerde hij ook in TsjetsjeniŽ de collectivisering van de landbouwbedrijven door. Tot diep in de jaren dertig bleven de Tsjetsjenen tegen deze gebeurtenissen verzet bieden, maar dat leidde telkens tot nog hardere terreur van de kant van Stalin. Ook de Tsjetsjenen ontkwamen niet aan Stalins Grote Terreur: het aantal Tsjetsjenen in de Sovjet-Unie daalde tussen 1937 en 1939 van 436.000 naar 400.000 mensen.

In 1936 werd de autonome republiek Tsjetsjeno-IngoesjetiŽ opgericht. Twee jaar eerder waren de autonome provincies TsjetsjeniŽ en IngoesjetiŽ al uitgebreid met enkele 'autonome districten en steden' in het noorden (waaronder Grozny en Soenzja) in een poging de Tsjetsjeense en Ingoesjetische gebieden etnisch te verwateren via uitbreiding van het Russische aandeel onder te bevolking. Dit gaf maar tijdelijk soelaas, want de Tsjetsjenen hebben altijd een veel hoger geboortecijfer gehad dan de Russen. Veel kinderen krijgen, in ieder geval meer kinderen dan Russische gezinnen, is een soort historische plicht voor Tsjetsjenen.

Op het einde van de Tweede Wereldoorlog, in de winter van 1944, dacht Stalin een definitieve oplossing van de problemen met Tsjetsjenen en enkele andere minderheden (Balkaren, Karatsjajers, Ingoesjeten, Turken-Mescheten en Krim-Tataren) te bereiken door hen massaal te deporteren naar de steppe van Centraal-AziŽ. Hij beschuldigde de betroffen volken valselijk van 'collaboratie met de Duitsers'.

Wat TsjetsjeniŽ betreft: de Duitsers zijn nooit verder gekomen dan de door Russen bewoonde stad Malgobek in het uiterste westen van TsjetsjeniŽ. Ongetwijfeld dachten sommige Tsjetsjenen dat het onder de Duitsers beter zou kunnen worden dan onder Stalin, maar van georganiseerde collaboratie is geen sprake geweest. Integendeel: 17.413 Tsjetsjenen gaven zich als vrijwilligers op voor het Rode Leger.

Op 1 maart 1944 rapporteerde NKVD-chef Lavrenti Beria aan Stalin dat vanuit Tsjetsjeno-IngoesjetiŽ inmiddels 478.479 personen in 180 speciale treinen waren geladen. Op 18 maart was dat aantal gestegen tot 521.247 in 194 treinen. Naar schatting 150.000 tot 200.000 Tsjetsjenen kwamen om door honger, koude en andere ontberingen - tijdens de treinreis of in de eerste tijd na aankomst in het onherbergzame steppelandschap van Centraal-AziŽ.

In 1959 leefden er 419.000 Tsjetsjenen in de Sovjet-Unie, terwijl dat in geval van 'normale' demografische groei minstens 590.000 Tsjetsjenen hadden moeten zijn. Hierbij zij nog opgemerkt dat de massadeportatie onder leiding stond van de GeorgiŽrs Stalin en Beria, die zich als KaukasiŽrs nog sterker dan de Russen bewust waren van het trotse en eigenzinnige karakter van de Tsjetsjenen.

De twee massadeportaties, die onder generaal Jermolov en die onder Stalin, behoren tot het historische bewustzijn van iedere Tsjetsjeen. Onder Stalins opvolger Chroesjtsjov werden de Tsjetsjenen en andere gedeporteerde volken al snel veel vrijer gelaten in hun verbanningsoorden.

In het kader van Chroesjtsjovs anti-stalinismecampagne werd op 9 januari 1957 ook de autonome republiek Tsjetsjeno-IngoesjetiŽ hersteld. In het noorden werden opnieuw enkele Russische districten van de provincie Stavropol bij de heropgerichte autonome republiek gevoegd om het etnische overwicht van de Tsjetsjenen in het gebied te verkleinen. (Uiteindelijk maakten Russen in 1991 iets meer dan dertig procent van de bevolking in TsjetsjeniŽ uit, maar die zijn nu - op enkele duizenden bejaarden na - allemaal weggevlucht.)

Het resultaat van de gebiedsuitbreidingen onder Stalin en Chroesjtsjov was wel dat de Russen daarna altijd op Tsjetsjeense medestanders hebben kunnen rekenen in de 'nieuwe gebieden'. De laatste maanden zijn dat voornamelijk de strijders van Bislan Gantamirov, oud-burgemeester van Grozny uit de tijd van Doedajev. De radicaal-nationalistische en strenger islamitische Tsjetsjenen komen voornamelijk uit de zuidelijke helft van de republiek.

Het was Chroesjtsjovs bedoeling dat de terugkeer van de Tsjetsjenen gefaseerd en geleidelijk zou verlopen, maar zij keerden in 1956 en 1957 massaal en grotendeels op eigen kracht terug naar hun vaderland. Vaak namen zij de stoffelijke overschotten van overleden verwanten mee, want een Tsjetsjeen behoort in zijn geboortedorp te worden begraven. Ook in de huidige oorlog doen Tsjetsjeense strijders dikwijls al het mogelijke om de stoffelijke overschotten van gesneuvelde kameraden in hun geboortedorpen te bezorgen.

Gedurende de Brezjnev-tijd kwamen de Tsjetsjenen bij van de verschrikkingen onder Stalin. Wel groeide de onvrede over de sociaal-economische situatie: op terreinen als onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid en inkomen bleven de Tsjetsjenen ver achter bij het landelijke gemiddelde in de Sovjet-Unie. Veel van de hedendaagse strijders hebben nooit een opleiding genoten en een gewone baan gehad. Voor hen is banditisme en criminaliteit een 'normale' levensstijl geworden.

Onafhankelijkheid
Evenals de andere volken in het sovjetrijk beleefden de Tsjetsjenen onder Gorbatsjov een nationale wedergeboorte. In 1989 kreeg de republiek Tsjetsjeno-IngoesjetiŽ voor het eerst een etnische Tsjetsjeen als partijleider: Dokoe Zavgajev. De radicaal-nationalistische Tsjetsjenen verenigden zich in het Tsjetsjeens Nationaal Congres.

In de periode dat de Sovjet-Unie bezig was uiteen te vallen, riepen de Tsjetsjenen de onafhankelijkheid uit. Dat gebeurde op 1 november 1991. Drie dagen eerder was Dzjochar Doedajev gekozen tot de eerste president van de 'Tsjetsjeense republiek Tsjetsjnja'. Hij won met 85 procent van de stemmen. Op 1 december scheidden de Ingoesjeten zich zonder problemen af van de oude etnische 'dubbelstaat': zij wilden niet overheerst worden door de veel radicalere Tsjetsjenen. De republiek IngoesjetiŽ heeft de omvang van een Nederlandse provincie.

Door een combinatie van dreigementen en omkoping kreeg Doedajev het voor elkaar dat het Russische leger zich uit TsjetsjeniŽ terugtrok met achterlating van de bewapening, bestaande uit - aldus de Russische krant Izvestia - 426 vliegtuigen, waaronder vijf vrachtvliegtuitgen, twee helikopters, 42 tanks, 92 legervoertuigen, 139 stuks artillerie, 101 anti-tankwapens, 27 anti-luchtdoelwapens, 37.795 mitrailleurs en geweren en 27 wagonladingen met munitie. De Tsjetsjeense luchtvloot werd tijdens de oorlog van 1994-1996 door de Russen weggebombardeerd.

Estland
Dzjochar Doedajev werd geboren in janauri 1944, vlak vůůr hij met zijn ouders en zes oudere broers en zussen (er zouden er nog drie volgen) naar Kazachstan werd gedeporteerd. Hij maakte snel carriŤre in het sovjetleger, trouwde met de Russische Alla en schopte het tot luchtmachtgeneraal. Hij deed mee aan bombardementen in het westen van Afghanistan.

Van 1987 tot maart 1991 was hij commandant van een divisie met nucleaire wapens uitgeruste lange afstandsbommenwerpers in Estland. Wat het kleine Estland uiteindelijk wist te bereiken - volledige onafhankelijkheid - zag Doedajev ook weggelegd voor TsjetsjeniŽ. Hij nam ontslag uit het sovjetleger en werd, vanwege zijn hoge militair rang, door de Tsjetsjenen geaccepteerd als hun leider. Als 'immigrant' in TsjetsjeniŽ probeerde hij zich dubbel zo goed te bewijzen als nationalist.

Nadat president Jeltsin in oktober 1993 het verzet tegen zijn bewind van het Russische parlement (geleid door parlementsvoorzitter Roeslan Chasboelatov, een Tsjetsjeen) had gebroken, kreeg Moskou de tijd om zich met het vraagstuk TsjetsjeniŽ bezig te houden. Rusland heeft grote geopolitieke en economische belangen in de Kaukasus, waarbij TsjetsjeniŽ door zijn ligging dikwijls een centrale rol speelt.

De belangrijkste verbindingsroutes over het Kaukasische bergmassief lopen vlak ten westen (de Darjalpas) en ten oosten (de Dagestaanse kustwegen) van TsjetsjeniŽ. De exportroutes vanuit Azerbeidzjan en Kazachstan naar de havens aan de Zwarte Zee (olie!) lopen nu niet meer over, maar toch zeker vlak langs het grondgebied van TsjetsjeniŽ. Voorts is de Kaukasus de laatste jaren het speelveld van politieke invloedssferen tussen Rusland, Turkije, Iran en de Verenigde Staten. En tot slot vreest Moskou dat van Tsjetsjeense onafhankelijkheid een precedentwerking uitgaat voor de andere republieken in de Russische Federatie.

Onderwijl verspeelde Doedajev zijn goodwill onder de Tsjetsjeense bevolking. Het overheidsbestuur viel weg en er was grote economische verpaupering onder de gewone burgers. Doedajev maakte van TsjetsjeniŽ een etnocratische staat. Het lot van niet-Tsjetsjeense inwoners, in de eerste plaats Russen, zag hij niet als de verantwoordelijkheid van zijn regering. Rusland moest maar voor de Russen zorgen.

Hij toonde zich een wispelturige en dikwijls zeer beledigende man. Toch zei Doedajev constant bereid te zijn tot onderhandelingen met de Russen. De formule die hij daarbij hanteerde was onafhankelijkheid voor TsjetsjeniŽ 'binnen een economische en militaire ruimte met Rusland'.

Aanvankelijk leek TsjetsjeniŽ op steun te kunnen rekenen van de andere Noord-Kaukasische bergvolken. In oktober 1992 werd in Grozny de Confederatie van Kaukasische Bergvolken (KNK) opgericht als mogelijke opvolger van de vroegere Bergrepubliek. Het eerste wat de KNK deed was militaire steun geven aan de opstandige Georgische deelrepubliek AbchaziŽ. Op het einde van 1994 viel de KNK echter uiteen door interne conflicten en ontevredenheid met het Tsjetsjeense radicalisme. Het Tsjetsjeense onafhankelijkheidsstreven was een puur intern Tsjetsjeense aangelegenheid geworden. Moskou hoefde haar aandacht alleen nog maar op de Tsjetsjenen te concentreren.

Boedjonnovsk
Waarom kwam het op 11 december 1994 tot een oorlog tussen Rusland en TsjetsjeniŽ? Tegen de brede achtergrond van bovengenoemde geopolitieke belangen van Rusland in de regio, was de directe aanleiding het toenemende aantal treinovervallen en buskapingen die Tsjetsjeense krijgsheren uitvoerden.

Bovendien was het de Russische leiders niet gelukt een marionettenregering in TsjetsjeniŽ te installeren. Moskou gokte op oud-partijleider Dokoe Zavgajev en op een voormalige sovjetminister van Olie-industrie, Salambek Chadzjijev, beide onaanvaardbaar voor de Tsjetsjenen. Wie wel een hele goede kans maakte tegen Doedajev was Roeslan Chasboelatov, maar die was door zijn rol in het weggeschoten Russische parlement weer onaanvaardbaar voor Moskou. De Russen wedden dus op de verkeerde paarden. Bovendien was op dat moment een hardliner minister van Nationaliteitenzaken in de Russische regering, namelijk Sergej Sjachraj, een nazaat van Terek-kozakken.

Waarom verloor het Russische leger de eerste oorlog en draaide de militaire campagne tegen TsjetsjeniŽ uit op een 'nationale vernedering' voor Rusland? De Russische generaals toonden zich overmoedig en hadden zich slecht voorbereid. Blijkbaar hadden zij weinig geleerd van eerdere oorlogen tegen de Tsjetsjenen. Er werden te weinig troepen ingezet. De Russen lieten zich bovendien verrassen door de Tsjetsjeense guerillatactiek, die uit de geschiedenis toch bekend had kunnen zijn.

Russische soldaten vertelden voor de televisie dat zij het nut van de oorlog niet konden inzien. Door de duizenden slachtoffers onder de Russische soldaten keerde ook de publieke opinie zich tegen de oorlog. De jonge gouverneur van de provincie Nizjni Novgorod, Boris Nemtsov, haalde binnen zijn regio naar verluidt een miljoen handtekeningen op tegen de oorlog. TsjetsjeniŽ dreigde het 'Russische Vietnam' te worden.

Op 14 juni 1994 bezorgde warlord Sjamil Basajev (geboren in 1965) de Russen een vernedering voor de ogen van de hele wereld. In de Zuid-Russische stad Boedjonnovsk gijzelde hij personeel en patiŽnten van het plaatselijke ziekenhuis. Russische troepen bestormden het ziekenhuis ten koste van tientallen doden, maar de strijders van Basajev sloegen de aanval af.

Basajev had zich al eerder onderscheiden door zijn militaire leiding van de Abchazische opstand tegen de Georgische regering en door de kaping van een binnenlands Russisch lijnvliegtuig op 9 november 1991, dat hij naar Ankara dirigeerde. De Turken lieten hem weer snel naar TsjetsjeniŽ vetrekken. Premier Viktor Tsjernomyrdin, die namens de Russische regering kwam onderhandelen met Basajev, moest Basajev en zijn mannen een vrijgeleide naar Tsjetsjeens grondgebied toestaan. Terug in TsjetsjeniŽ vertelde Basajev dat hij in zijn veldtocht onvoldoende dollars bij zich had om alle Russische verkeersagenten tot aan Moskou om te kopen. Met zijn actie had hij de onmacht van de Russische staat en het leger aangetoond, ook in de ogen van de Russen zelf.

Valeri Tisjkov, directeur van het Instituut voor Antropologie en Etnografie van de Russische Academie van Wetenschappen, was tijdens de eerste oorlog een adviseur voor nationaliteitenkwesties van president Jeltsin. De liberale Tisjkov heeft verteld dat in de zomer van 1995 binnen het presidentiŽle apparaat verschillende scenario's werden geschreven voor een oplossing van de kwestie-TsjetsjeniŽ.

Deze bestonden uit volledige onafhankelijkheid voor TsjetsjeniŽ als lidstaat van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (achteraf een scenario dat Gorbatsjov misschien had gevolgd als hij niet was afgezet), een zeer los verbond tussen TsjetsjeniŽ en de Russische Federatie, TsjetsjeniŽ als gemiddeld 'subject' van de Russische Federatie, bevriezing van het conflict voor een periode van vijf jaar en totale militaire onderwerping van de zittende Tsjetsjeense machthebbers. Er werd gekozen voor het vierde scenario. In augustus tekenden de Russische generaal b.d. Aleksandr Lebed en de Tsjetsjeense generaal Aslan Maschadov het Verdrag van Chasavjoert, waarin werd afgesproken het conflict te bevriezen tot 31 december 2001 en daarna weer met elkaar te gaan praten.

Het tweede scenario van Tisjkov verdient extra aandacht. Toen in 1992 het Federatieverdrag werd getekend tussen Moskou en de regio's van de Russische Federatie, dat de machtenscheiding tussen de landelijke regering en de 'subjecten' van de Federatie moest vastleggen, weigerden twee republieken het verdrag te ondertekenen: Tatarstan en TsjetsjeniŽ. Op 15 februari 1994 sloten de Russische regering en Tatarstan een afzonderlijk bilateraal verdrag, waarin voor Tatarstan een zeer grote mate van zelfstandigheid bŪnnen de Russische Federatie werd vastgelegd. Zo mag Tatarstan bijvoorbeeld zelfstandig internationale verdragen en samenwerkingsovereenkomsten ondertekenen.

Dit 'Tataarse model' werd ook aan de Tsjetsjenen voorgelegd, maar de Russische leiders gaven het regime van Doedajev onvoldoende tijd om aan het idee te wennen. Als de Russen bovendien Roeslan Chasboelatov hadden gesteund, had deze bijna zeker het Tataarse voorbeeld nagevolgd. Maar ook op dit punt bleef TsjetsjeniŽ weer alleen achter binnen de Russische Federatie.

'Nieuwe Tsjetsjenen'
Op 21 april 1996 werd Dzjochar Doedajev gedood in een Russische raketaanval. Hij had zijn verblijfplaats, het dorp Gechi-Choe, verraden door het gebruik van een satelliettelefoon.

Op 1 januari 1997 werden in TsjetsjeniŽ presidentsverkiezingen gehouden voor de opvolging van Doedajev. De strijd ging tussen de twee Tsjetsjeense militaire leiders tijdens de eerste oorlog: de gematigde Aslan Maschadov en de radicale Sjamil Basajev. Maschadov won overtuigend met 64,8 procent van de stemmen; Basajev kreeg 22,7 procent van de stemmen.

De bekende Times-journalist Anatol Lieven schrijft in zijn boek Chechnya. Tombstone of Russian Power (1998), dus vůůr het uitbreken van de nieuwste oorlog: 'In de toekomst zal het van cruciaal belang zijn of een centrale Tsjetsjeense regering in staat zal zijn de groei van anti-Russisch terrorisme en banditisme door individuele groepen en daarop volgende Russische vergeldingsacties tegen TsjetsjeniŽ te voorkomen.'

Dat is Maschadov dus niet gelukt. Al snel werd zijn autoriteit ondermijnd door de zogenoemde Raad van Commandanten, geleid door Sjamil Basajev, die een fundamenteel islamitische ideologie ging aanhangen en de invoering van de sjaria en religieus onderwijs op de Tsjetsjeense scholen wist door te drukken.

De vroeger baardloze Maschadov heeft nu zijn baard laten groeien. Als men het Tsjetsjeense vraagstuk als een probleem van dekolonisatie uit het Russische rijk definieert, dan is het zo dat het proces van staatsvorming in TsjetsjeniŽ mislukt is.

Het op touw zetten van ontvoeringen werd een hele industrie in TsjetsjeniŽ. Ook Russische regeringsafgevaardigden en westerse hulpverleners waren er niet meer veilig. Volgens Izvestia zijn de ontvoeringen vooral het werk van de troepen van krijgsheer Arbi Barajev. 'Barajev werd in 1974 geboren in Oeroes-Martan. Hij heeft geen opleiding gevolgd en nooit ergens gewerkt. Sinds het begin van de oorlog leidt hij een eenheid van wahhabitische medestanders', aldus het dagblad.

In de oorspronkelijk egalitaire Tsjetsjeense samenleving lijkt zich de laatste tijd ook een sociaal-economische tweedeling te voltrekken. Zoals er rijke 'nieuwe Russen' kwamen, verschenen er eveneens 'nieuwe Tsjetsjenen'. Tsjetsjeense handelaren, zakenlieden, criminelen en krijgsheren hebben in het vorige decennium enorm veel geld verdiend in allerlei witte, grijze en criminele economische activiteiten. Velen van hen betalen hiermee nieuwe grote buitenhuizen, felgekleurde BMW's en Mercedessen, peperdure sieraden en zonnebrillen en jonge Russische vriendinnen.

Banditisme is zonder twijfel een belangrijke economische sector in TsjetsjeniŽ, maar veel criminele activiteiten, zoals de smokkel van wapens, drugs en benzine, konden alleen mogelijk worden door corruptie in hoge Russische bestuurskringen.

Poetin
Er zijn verschillende oorzaken waarom de Russen nu weer een nieuwe oorlog tegen TsjetsjeniŽ zijn gestart. Ten eerste de door Basajev geleide en weer teruggeslagen inval in het naburige Dagestan, die was gebaseerd op fundamentalistisch islamitische denkbeelden. Maar ook de ontvoeringen en criminaliteit, de wens onder de Russische generaals om de vernedering van de eerste oorlog te wreken, beantwoording van de NAVO-actie tegen ServiŽ en het hernieuwde grootmachtdenken onder Vladimir Poetin spelen een rol.

De directe aanleiding werd gevormd door de terreuraanslagen op flatgebouwen in Moskou en Volgodonsk. De verantwoordelijkheid van Tsjetsjeense rebellen voor deze aanslagen is niet bewezen, maar wel als zodanig aan de Russische bevolking gepresenteerd.

De hedendaagse positie van TsjetsjeniŽ is een eenzame. De Tsjetsjenen staan tegenover een wraakzuchtig Russisch leger dat wordt gesteund door de harde premier en waarnemend president Poetin en de publieke opinie. Binnen de Russische Federatie staan de Tsjetsjenen helemaal alleen tussen de andere niet-Russische volken; zelfs de Noord-Kaukasische buurrepublieken houden zich stil. De internationale gemeenschap is niet van plan het Tsjetsjeense onafhankelijkheidsstreven te steunen.

De Tsjetsjenen krijgen waarschijnlijk enige steun van fundamentalistisch islamitische staten en groeperingen, maar dat is niet iets waarmee men in de moderne wereld respect afdwingt. Niettemin: de Tsjetsjenen hebben aangetoond geheel op eigen kracht de Russen te kunnen weerstaan.

Het conflict tussen Rusland en TsjetsjeniŽ lijkt momenteel uitzichtloos. Beide partijen gaan zo te zien voor de totale overwinning. Eigenlijk zou een derde partij, de OVSE of de Verenigde Naties, als scheidsrechter moeten optreden, maar dat willen de Russen thans niet accepteren. Het zogenoemde 'Tataarse model' ziet eruit als de meest ideale uitkomst van toekomstige vredesonderhandelingen tussen de strijdende partijen.

Literatuur:
Voor het schrijven van dit artikel heb ik voor een belangrijk deel gebruik gemaakt van twee recent verschenen boeken over het Russisch-Tsjetsjeense conflict: Chechnya. Tombstone of Russian Power van Anatol Lieven (1998, Yale University Press, 436 blz.) en Russia Confronts Chechnya. Roots of a Separatist Conflict van John B. Dunlop (1998, Cambridge University Press, 234 blz.). Het boek van Lieven is een mix van journalistiek en wetenschap. Het is zeer leesbaar, maar af en toe behoorlijk wijdlopig door vergelijkingen met onder meer Marokko en Mexico en exposťs over de algemene politieke en economische hervormingen in Rusland. Wie een korter, maar toch krachtig en compleet beeld van de geschiedenis van de strijd tussen Rusland en TsjetsjeniŽ wil, moet zeker het boek van Dunlop lezen.

Omhoog
Terug naar archief